Tijdloos

“De tijd gaat veel te snel,” zucht de jonge man die naast mij loopt. Het zweet parelt op zijn voorhoofd. De zon schijnt vrolijk door het bladerdek boven ons hoofd. Mijn aandacht is gevestigd op mijn linkervoet; door de wrijving van mijn nieuwe wandelschoenen voel ik een blaar opkomen. We hebben het over het werk dat we doen. Misschien wordt het langzamerhand tijd voor een ‘serieuze’ baan. Bij het idee alleen al begint mijn hoofd te tollen. Wij zijn allebei niet gemaakt voor een kantoorbaan. Op de vraag ‘wat zou je dan willen doen?’ kunnen we geen van beide antwoord geven. Wat we nodig hebben is een pauzeknop. Of een stopknop. Voor altijd deze leeftijd aanhouden en niet ouder worden. Blijven aanmodderen en er het beste van hopen. Jong zijn en het leven vieren. We hebben vandaag nog, waarom zouden we ons druk maken over morgen? Tegeltjes wijsheden voor op het toilet, niet voor het dagelijks leven.

Na inspanning, komt ontspanning. We rijden met de auto naar het Henschotermeer voor een frisse duik. Uit de koeltas worden twee ijskoude blikjes bier gehaald. Het blikje sist wanneer ik het lipje omhoogtrek. “Je moet maar even kijken of ‘ie nog goed is. Ze staan al een tijdje bij mij in de koelkast.” Een understatement. Het blikje is twee jaar over datum. De koelkast is geen tijdscapsule. Ook bier wordt oud. Is er dan niets meer heilig?! Ik neem eigenwijs een slok. Zoals mijn vader dat ook zou hebben gedaan. Het bier dat bij zijn moeder in de bijkeuken stond was, net als de kleine zakjes Croky chips die ze in huis haalde voor de kleinkinderen, minstens een jaar oud. “Smaakt nog prima. Voel je niks van,” zou mijn vader zeggen. Over de chips had hij gelijk, die smaakte, ongeacht de datum, altijd prima. En inderdaad, het twee jaar ouder biertje smaakt ook nog prima. Of ik er niks van ga voelen, zal ik pas de volgende ochtend ontdekken.

De zon schijnt liefdevol op onze natte huid. Hij leest, liggend op zijn buik, steunend op zijn ellebogen. Ik doe alsof ik lees en begluur hem, als een ware een voyeur, vanachter mijn zonnebril. Het is iets wat ik graag doe: mensen bespieden. Het zit ‘m in de kleine dingen die de ander doet; een ritueel, een tik, een onbewuste handeling. Voor wat ik heb gelezen, schijnt het meer voor te komen bij schrijvers. Zo worden personages van boeken geboren; zo ontstaan de stukjes die ik schrijf. Ik zie hoe hij leest, hoe de zon een nieuwe zomersproet op mijn rug tekent, hoe hij loom aan zijn oor krabt en hoe hij met een vlugge beweging de bladzijde van zijn boek omslaat. Ik sla het op in mijn geheugen, als een foto, een moment dat op zichzelf staat. De tijd tikt traag voorbij. Het is bijna alsof hij volledig stilstaat en we vast worden gehouden in het moment. De warmte maakt ons loom. Na enige tijd slaat hij zijn boek dicht. “Zullen we het water weer in?”

Het water is koud. Mijn vermoeden van een blaar wordt bevestigd zodra ik opnieuw het water in stap. Het prikt. Na nadere inspectie zie ik dat de blaar is geknapt. De huid bungelt als een reepje vet dat aan een runderlapje hangt onderaan mijn voet. Toch besluiten we rond het meer te lopen. Op het zand gaat het prima, maar het asfalt loopt wat ongemakkelijk. “Hoe doe je dat toch?” vraag ik aan degene naast me die moeiteloos over het warme asfalt loopt. “Waarom heb jij nooit last van blaren?” Hij lacht gemeen en haalt nonchalant zijn schouders op. “Ik heb de Camino gelopen. Dat zou jij ook eens moeten doen.”

Het is onmogelijk om de tijd stil te laten staan. Er is geen stopknop waarop we kunnen drukken. Hoe ouder we worden, hoe sneller de tijd weg tikt. Het enige wat we kunnen doen is herinneringen maken en in die herinneringen staat de tijd even stil. Er zijn momenten waarop de tijd traag als stroop lijkt te vloeien. Momenten waar we even kunnen genieten van een wandeling, lezen aan de waterkant, elkaars gezelschap zonder dat de tijd voorbij raast. Er zullen genoeg andere dagen zijn om aan de toekomst en hoe we die willen invullen te denken. Maar voor nu is het goed zoals het is.
Het is zoals de bijbel het zegt:

“Maak je geen zorgen over de dag van morgen, want de dag van morgen zorgt wel voor zichzelf.”
(Mattheüs 6:34)

Of zoals ik het aan het begin van dit stukje al schreef: “We hebben vandaag nog, waarom zouden we ons zorgen maken over morgen?”

El camino

Loop maar. Loop het van je af.
Al je zorgen. Al je pijn.
Loop je hoofd leeg.
Laat de wind alles opschonen.
Laat de regen alles wegwassen.
Loop tot je moe wordt.
Tot je het kunt voelen in je botten.
Doe dan je ogen dicht en voel.
Voel hoe alles veranderd is.
Dat alles tijdelijk is.
Dat ook vandaag voorbijgaat,
voordat je aan morgen hebt kunnen denken.

Zorgeloos als een kind

Naast mij ligt mijn vriend te slapen. De zon schijnt genadeloos en het maakt mij rusteloos. Het boek dat ik probeer te lezen weet mij niet echt te boeien. Mijn gedachten dwalen alle kanten op. Een kind van een jaar of drie graaft een gat in het zand. Ze draagt een roze badhanddoek met een capuchon in de vorm van een giraf. Haar jongere broertje kijkt lachend toe. Zorgeloos. Als een kind.
Vader en zoon trappen een rugbybal het strand over. Lachend, roepend. Mannen onder elkaar. Moeder en dochter kijken toe. Moeder met gesloten ogen vanachter haar zonnebril. Dochter lachend met schep en emmer in haar hand.

De rusteloosheid wint en ik verwissel mijn badpak voor een korte broek en T-shirt. Naast mij wordt iemand wakker. “Ga je naar huis?” mompelt hij loom van de zon. Zonder hem kom ik niet zo ver. Hij rijdt. Zonder mij komt hij niet zo ver. De autosleutel zit in mijn tas. We besluiten wat te gaan eten in het dorp. Hij met iets meer tegenzin. “We kunnen na het eten nog even terug, als je wilt,” opper ik.
We kijken wel. We hebben geen haast vandaag.

We eten pannenkoeken op het plein naast de kerk en besluiten nog even terug te gaan naar het strand om de son te sien sakken in de see.
“Wat vinden vrouwen zo geweldig aan een zonsondergang?” vraagt hij als we half liggend, half zittend turen naar de gouden gloed van de ondergaande zon.
“Vind jij het niet mooi?” vraag ik verbaasd.
“Ja wel, maar niet bijzonder mooi.”
Ik geef hem geen duidelijk antwoord. Misschien komt het door het licht, donker contrast. Door de diepe kleuren die de lucht een vuurrode gloed geven. Of door een bepaalt gevoel dat zowel de opkomende als de ondergaande zon bij mij oproept. Ik weet niet hoe ik zijn vraag moet beantwoorden en al zou ik het weten, ik zou het niet onder woorden kunnen brengen.

Ook hier word ik onrustig van het stilzitten en ik loop met mijn blote voeten de zee in. Het water glinstert alsof het de nachtelijke hemel is. Duizend fonkelende sterren drijven op het diepe blauw van het water. Ik draai me om en zie hoe hij de handdoek een paar meter opzij schuift. Ik loop terug en vraag waarom hij dat heeft gedaan. “Anders zien we straks de son sakken in de vuilnisbak.”
Vanuit de zee klinkt een huilend kind en een andere stem die om haar moeder roept. Uit gewoonte kijk ik of moeder de kinderen weet te vinden. “Mama, ik ben gebeten door een kwal!” snikt het meisje. Naast mij klinkt gelach. Ik kijk hem afkeurend aan. “Hé, ik mag dat! Jij moest ook lachen toen ik werd gebeten door een kwal.” Oké, oké, misschien moest ik inderdaad grinniken toen hij een luide gil slaakte in de zee.

Achter ons klinken twee andere kinderstemmen. Ik draai me om en zie een blond jongetje die erg veel op de jongste van mijn oppaskinderen lijkt. Nu ik goed naar zijn stem luister, hoor ik dat hij niet alleen op hem lijkt, maar ook hetzelfde klinkt. Er staat een meisje achter hem en ik herken haar meteen. Ik roep enthousiast haar naam. Ze kijkt op, moet even registreren wat er gebeurt en roept dan duidelijk verbaasd: “Wat doe jij nou hier?!”
Het meisje rent naar haar ouders die ik een stukje verderop zie staan. Haar zusje komt op mij afgestormd. “Ik ben gebeten door een kwal. Kijk maar.” Ze laat mij de rode plekken zien en geeft me daarna een stevige kroel alsof ze me drie weken in plaats van drie dagen niet heeft gezien. De oudste van het stel voegt zich bij ons en laat zich liefdevol tegen mij aan vallen, terwijl ze en arm om mijn middel slaat. “Dat is Thomas toch niet?” vraagt één van de meiden wijzend naar de vreemde jonge man die naast mij zat. “Nee, dat is Sjoerd. Thomas wou niet mee. Stom hé?”
Ze haalt haar schouders op. “Kijk wat ik kan, Catharina!” Haar broertje laat zijn slippers vallen en rent door de duinen naar beneden.
“Denk je een keer vrij te zijn!” lacht de vader van het stel.
“De vorige keer kwamen we haar buurman tegen in Duitsland,” reageert mijn vriend. “Het is altijd wel wat met haar.”
De bende van vier en hun ouders lopen richting de auto. De jongste van de meiden zoekt mijn blik en zwaait met een brede lach op haar gezicht nog één keer naar mij en ik zwaai net zo enthousiast terug tot ik haar niet meer zie.

We blijven op het strand zitten tot de zon zich in de donkere diepte van de zee laat vallen. De hemel kleurt zachtroze en de maan schijnt zo helder dat het bijna lijkt alsof hij heeft besloten om de taak van de zon op zich te nemen. In de auto klinkt een voldane stilte. De zon heeft haar zomers warmte achtergelaten in de auto en warmt onze koud geworden lijven op. Met een glimlach op mijn gezicht tuur ik naar het voorbijtrekkende landschap. De rusteloosheid is eindelijk verdwenen en ik voel me na vandaag weer heel even zorgeloos en blij als een kind.

IMG_20200802_111734_652

Calanthe

Huil maar, kleine meid
en vecht jezelf de wereld in.
Schreeuw de longen uit je lijf,
dit is een nieuw begin

waarin jij mag gaan groeien
tot de persoon die je  zal zijn.
Het is haast onvoorstelbaar,
want je bent nu nog zo klein.

Maar op een dag stap jij de wereld in
met jouw idealen en jouw dromen,
met jouw zinnen en jouw wensen
die stuk voor stuk uit zullen komen.

Huil maar, kleine meid
laat de wereld weten dat je er bent.
We zullen onvoorwaardelijk van je houden;
jij bent ons Godsgeschenk.

Zwart/wit

Wij samen, jij en ik,
wij hebben dezelfde dromen.
Toch is er een duidelijk verschil:

Daar waar ik in vrijheid kan ademhalen,
werd jouw adem je ontnomen
en stond de wereld even stil.

Kind kwijt

Eén van de meiden zit bij de kapper. Ze belt mij op wanneer de kapper klaar is met het knippen van haar haar.
“Hoi, kun je me komen ophalen?”
“Ja, is goed! Bij welke kapper zit je?”
“Bij die uhm… Bij die uhm…”
“Is er een plein in de buurt?”
“Nou uhm… Ik weet niet zo goed hoe ik het uit moet leggen.”
“Geeft niet. Ik denk dat ik het weet. Tot zo, lieverd!”

Vol enthousiasme stap ik de kapperszaak binnen. “Hoi! Ik kom een meisje ophalen.”
Er hangt een vreemde stilte in de lucht.
“Sorry, wat kom je doen?” vraagt de kapster.
“O, ik kom een tienjarig meisje ophalen.”
De kapster kijkt mij met een vragende blik aan.
“Maar die zit kennelijk bij een andere kapper,” lach ik. “Sorry, ben gastouder. Ben wel vaker een kind kwijt.”
“Hier tegenover zit ook een kapper. Misschien zit ze daar.”
Een man in de kappersstoel lacht hard mee en zegt met een plat accent: “Een kind kwijt? Lekkere gastouder ben jij!”
“Tot nu toe heb ik ze altijd teruggevonden, hoor. Komt goed! Toch bedankt!” roep ik. Ik loop de kapperszaak uit en hoor de kapster verbaasd mompelen: “Dit heb ik nog nooit meegemaakt.”

Ik pak grinnikend mijn fiets en fiets naar de andere kapperszaak. En ja hoor! Daar zit heel geduldig een lief meisje op mij te wachten.
“Wat zit je haar mooi! Ik dacht dat je bij de andere kapper zat,” lach ik haar toe.
“Ja, dat probeerde ik je te vertellen aan de telefoon, maar je hing al op. Het is de kapper naast de pizzaria en de meubelwinkel met al die lampen.”
“Ach het doet er niet toe. Ik heb je weer gevonden!” Zoals ik al zei, ik vind een verloren kind altijd weer terug.

L’inferno del supermercato

Het daglicht week, de schemering verscheen
Die alle aardse schepselen bevrijdde
Van dagelijkse zorgen; ik alleen

Moest mij op de beproeving voorbereiden
Van deze reis en van het medelij,
Waaraan ik een getrouw verslag zal wijden.

O hoog vernuft der Muzen, helpt u mij!
O geestkracht, die ’t geziene hebt beschreven,
Opdat uw adeldom bewezen zij.

(Hel Canto 2: 1-7)

De bovenstaande tekst komt uit De goddelijke komedie (La Devina Commedia); een allegorisch epos geschreven aan het begin van de veertiende eeuw door de Florentijnse dichter Dante Alighieri. In zijn komedie beschrijft Dante zijn visionaire reis door het hiernamaals. Zijn reis begint in een donker bos waar hij wordt aangevallen door roofdieren. Hij wordt uiteindelijk gered door de dichter Vergilius, die zijn gids zal zijn door de negen kringen van de hel.

Tijdens mijn boodschappenronde door de supermarkt hier op het plein, word ik niet begeleid door een beroemd dichter maar door een angstig gevoel. Afdalend naar beneden, verlaat ik met lood in de schoenen mijn appartement. Bij de ingang van de supermarkt staan de ‘roofdieren’ elkaar ongeduldig te verdringen om binnen te komen. Niemand houdt de wacht aan de poorten van deze surrealistische hel. Anarchie regeert en het virus krijgt vrij spel doordat mensen in hun haast vergeten het winkelwagentje, dat ze stevig hebben vastgeklemd in hun handen, te ontsmetten met desinfecteermiddel. Welkom in de eerste kring van de hel, waar ongeduldige winkelaars langer vertoeven dan noodzakelijk, omdat door hun ongeduld een ophoping is ontstaan in de hal.

Een beveiliger kijkt verveeld op zijn telefoon en mompelt ‘goedemiddag’ aan hen die het horen wil. Boven de ingang van de supermarkt lees ik de woorden die Dante las toen hij de hel binnentrad: ‘Er is geen hoop voor wie hier binnentreden’ (Hel Canto 2:9). Ik haal diep adem en loop verder de winkel in. Bij het groenteschap komen mensen samen die doelloos en zonder boodschappenlijstje door de winkel dolen. In hun ogen lees je de angst dat ze misschien wel iets vergeten zijn. Maar ze weten niet wat en er is geen lijstje om het te controleren. Vanaf de vleesafdeling klinkt een schreeuw van een kind dat aandacht wil, terwijl de moeder, opgeslokt door de dagelijkse sleur, het kind negeert. Aangekomen bij de boordafdeling, staat een oude man ongeduldig te wachten op zijn beurt bij de broodsnijmachine. Hij hoest een rokershoest. Zijn armen hangen lusteloos langs zijn lijf en doen geen poging de hoestdruppels op te vangen in hand of elleboog. Voor de ingang van het koelschap staat een groepje oude dames met elkaar te kletsen, alsof ze op een terras zitten. Ze verroeren zich niet als je vraagt of je erlangs mag. Ze horen je wel, maar doen alsof hun gehoorapparaat niet aan staat.
Bij de houdbaarheidsproducten schiet een man voor mij langs om even snel iets te pakken van het schap voor mij. Zijn cologne kietelt in mijn neus. Ik nies. In mijn elleboog. De man kijkt mij vuil aan.

Nadat ik mij door alle kringen van de supermarkt heb geworsteld, gaat mijn reis verder naar de kassa. Een vriendelijke dame wijst mij erop dat de kassa naast die van ons al vrij is. Als ik vraag waarom ze zelf niet van kassa ruilt, haalt ze nonchalant haar schouders op. ‘Ik sta hier nu toch,’ is haar reactie. Dankbaar leg ik mijn boodschappen op de zwarte mand. Eindelijk! Het einde is in zicht. Ik pak de tassen strategisch in en wil de supermarkt verlaten. Maar in de tijd dat ik in de supermarkt ronddwaalde, heeft het management besloten een ander systeem toe te passen. Karretjes hopen zich op bij de uitgang. Welke karren gedesinfecteerd zijn en welke niet, is onduidelijk. Steeds meer mensen besluiten naar binnen te lopen en de hal stroomt vol met nieuwe klanten. Niet wetend wat de bedoeling is, verstijf ik in alle hectiek. Een man probeert mijn winkelkar uit mijn handen te rukken. De anderhalve meter samenleving is nog niet tot hem doorgedrongen. Een vrouw achter mij blaft dat de gebruikte karretjes buiten moeten worden verzameld. Beduusd doe ik wat de vrouw mij zegt.

Vol adrenaline klim ik uit de hel terug naar mijn appartement. Boos en gefrustreerd smijt ik de tassen de keuken in. ‘Ik ga nooit meer naar de supermarkt!’ schreeuw ik trillend van woede. Twee armen sluiten zich om mij heen. ‘Nooit meer,’ snuf ik. De rustgevende stem van mijn vriend zegt wijze woorden over hoe mensen reageren in onbekende situaties. De woorden troosten me niet. Zijn aanwezigheid des te meer. Om Dante nog één keer te citeren:

De zon die mij van liefde had vervuld,
Had onweerlegbaar alle mist verdreven

(Paradijs Canto 3: 1-2)

De jongen die wolf riep

Er klinkt gestommel op de trap en een tienjarig meisje rent verdrietig op mij af. Ze heeft een grote beurse plek op haar arm. “Wat heb jij gedaan?” vraag ik verbaasd.
“Ik ben gevallen. In de badkamer. Met mijn arm op de rand van het bad,” kermt het meisje. Van dichtbij ziet de paarse plek op haar arm er indrukwekkend uit. Ze moet een rare smak gemaakt hebben. “Ach lieverd, daar kan ik niet zo veel aan doen. Doet het erg veel pijn?”
“Ja…” En ze trekt een gezicht. Het lijkt of ze moet vechten tegen de tranen.
“He, kom eens even hier.” Ik houd er even stevig vast. “Zal ik je helpen met het inpakken van je koffer?” Ze knikt en we lopen samen naar haar kamer.

Een paar uur later zitten we aan de boterham. Ik vraag hoe het met haar arm gaat. Het meisje maakt een fout. Ze kijkt naar de verkeerde arm. Ze ziet mijn vragende blik en doet een bekentenis: “Ik ben helemaal niet gevallen. Dit is make-up. Kijk maar.” Ze veegt met een natte vinger over haar paarsblauwe arm. Op dat moment komt haar oudste zus bij ons staan. “Wist jij dit?” vraag ik verbouwereerd aan haar.
“Ja, dat wist ik allang. Wanneer wist jij het?”
“Tien seconde geleden.” Ik kijk naar haar zusje. “Ik heb je getroost!” Ze kijkt me heel ondeugend aan en ik grijp het moment aan voor een verhaal met een moraal.
“Kennen jullie het verhaal van de jongen die wolf riep?” vraag ik aan de kinderen. Ze schudden hun hoofd en ik begin te vertellen: “Er was eens een jongen die graag in het bos buiten het dorp speelde. Op een dag rende hij als een wilde het dorp in. ‘Een wolf! Een Wolf! Hij komt deze kant op!’, riep de jongen. Iedereen in het dorp maakte zich klaar om tegen de wolf te vechten. Maar hoe lang ze ook wachtten, er kwam geen wolf. ‘Grapje!’ riep de jongen vrolijk en hij ging terug naar het bos om te spelen. Niet veel later kwam de jongen opnieuw het dorp in gerend. ‘Een wolf! Ik heb een wolf gezien! Hij komt achter me aan! Vlug!’ De dorpelingen maakten zich klaar om de wolf tegen te houden. Maar er kwam geen wolf. ‘Grapje!’ riep de jongen lachend, terwijl hij wegrende naar het bos om te spelen. Na enige tijd kwam de jongen weer het dorp in gerend. ‘Wolf!’ riep de jongen. De dorpelingen schudde hun hoofd. Daar heb je die jongen weer. Met zijn grapjes. Dit keer trappen we er niet in. Ze luisterden niet naar de jongen en zagen te laat dat er een wolf achter de jongen aanrende. De jongen werd in één hap opgegeten. De dorpelingen hadden geen tijd om zich tegen de wolf te verdedigen. Bijna niemand overleefde de aanval. En dat allemaal, omdat de jongen een grapje had gemaakt.”
De jongste kijkt me met grote ogen aan. “Is dat echt gebeurd?”
“Nee, het is een sprookje. Net als Roodkapje. Om kinderen bang te maken.” Ik kijk zijn tienjarige zus in de ogen. “En om ondeugende kinderen te leren dat je dit soort geintjes niet te vaak moet uithalen, want op een dag geloof ik je niet meer.” Ze lacht haar tanden bloot en ik zucht diep. Dit is niet de eerste keer dat ze een leugentje vertelt of een grapje uithaalt. Ik zal haar altijd blijven troosten en geloven tot het tegendeel bewezen is, maar er komt een dag dat ze wolf roept en we allemaal verzwolgen zullen worden door het beest dat twijfel heet.

Alsof alles normaal is

We zitten met z’n tweeën aan de waterkant. Na ieder schip dat voorbijvaart, kabbelt het water vrolijk tegen de door de zon opgewarmde stenen. De zon kietelt mijn huid zacht met haar warmte. Een briesje streelt mijn wangen rood en speelt met de lokken die onder mijn hoed vandaan pieken. Er drijft een grote, platte, dode vis in het water. Mijn wandelpartner maakt er een treurige opmerking over. “Zullen we de vis toezingen?” stel ik voor en alsof we het hebben afgesproken, zetten we samen ‘Waarheen leidt de weg’ in. Hij kijkt me verbaasd aan. Hoe is het mogelijk! “Het is de meest bekende begrafenis hit die er bestaat.” Ik zou pas echt onder de indruk zijn geweest als we samen hadden gezongen over een wandeling. In het licht. Met Jezus.
“Lust je een appel?” Ik houd er twee omhoog. Hij pakt de meest zoet ogende appel aan en zet er zijn tanden in. In minder dan een minuut is de appel, klokhuis en al, verdwenen in zijn maag. Ik gooi mijn klokhuis in het water. “Ja, ik weet het. Het klokhuis kun je gewoon eten. Zonde om weg te gooien. Maar ik vind het vies.” Ik kijk hem uitdagend aan.
“Ik hoef niks te zeggen. Jij hebt alles al gezegd wat ik wou zeggen.” Hij doet zijn ogen dicht en de zon tekent, zonder dat hij het weet, een nieuw sproetje op z’n neus.

Na drie weken ziek te zijn geweest en bijna zes weken binnen te hebben gezeten, is het vreemd om naast mijn wandelpartner te zitten. Het voelt voor het eerst sinds tijden alsof alles normaal is en er geen dodelijk virus over de aarde raast. Degene naast mij trekt het zich niet zo aan. Zijn dagelijks leven is niet veranderd. Hij werkt, houdt braaf afstand waar nodig en gaat zijn eigen gang door te doen wat hij altijd doet. Ik moet daarentegen erg wennen aan alle regels. Het blijkt dat ik een zeer sociaal persoon ben. Wie had dat gedacht… Ik mis het fysieke contact met mijn ouders. Het kopje thee en een stukje taart op de late zondagochtend. De drie dikke zoenen in de woonkamer en de drie extra dikke zoenen bij de deur van mijn lieve moedertje. Ik mis het kietelen van de baard van mijn vader op mijn wang en de warme handen van mijn broer in de mijne. Het is dan ook een verademing om het huis uit te zijn en iemand naast me te hebben zitten die ik in tijden niet heb gezien, al is het maar voor even.

“Zullen we weer verder?” vraagt mijn wandelpartner na een tijdje. Mijn lichaam is het niet meer gewend om 15 kilometer te lopen. Ergens in de periode dat ik ziek ben geweest, ben ik mijn conditie verloren. Met moeite hijs ik mezelf overeind. Het kabbelende water maakt plaats voor het ruisende groen van de bladeren boven onze hoofden. De bomen filteren het zonlicht in stralen van geluk voor onze voeten. Met iedere stap voel ik een tevreden vermoeidheid door mijn lichaam stromen. Mijn sombere gedachtes die zich in de afgelopen weken in mijn hoofd hadden genesteld, laat ik met iedere stap achter me liggen. Ik dacht dat de wandeling zwaar zou zijn, maar ik voel me lichter. Vrolijker. Ik heb dit gemist en, zo blijkt, ik heb deze uitstapjes nodig om tot mezelf te komen.
Na 15 kilometer en een busrit naar het station staan we wat knullig onder het mededelingenbord. Zijn trein komt over zes minuten het station binnen. Mijn fiets wacht geduldig in het rek tot ik naar huis zal fietsen. We nemen afscheid van elkaar zoals we dat altijd doen en maken plannen voor de toekomst. Gewoon. Alsof alles normaal is.

De Dood en het meisje

“Wat is vrede?” vroeg het meisje
aan de Dood die naast haar liep.
Maar de Dood was in gedachten
en hoorde het meisje niet.

Hij dacht aan het ritme van soldatenlaarzen
die marcheren door het land.
Hij dacht aan kaalgeschoren koppen
en aan de geweren in hun hand.

“Wat is vrede?” vroeg het meisje
aan de Dood die naast haar liep.
De Dood keek naar het meisje,
maar beantwoordde haar vraag niet.

Hij dacht aan verdwaalde kogels
gevangen in een gebroken lijf,
aan de gapende oorlogswonden
en aan de lijken, koud en stijf.

“Wat is vrede?” vroeg het meisje
aan de Dood die naast haar liep.
De Dood haalde diep adem,
sloot zijn ogen en zuchtte diep.

“Vrede is een oud geloof,
is een heldere ster in de nacht,
vrede is een oud gebed,
is de rust die op je wacht.

Vrede is geen pijn,
geen oorlog, geen verdriet,
Vrede dat is samen één,
want anders werkt de vrede niet.

Vrede dat is leven
in een andere wereld, een andere tijd.
Ik zal je vrede brengen
tot in de eeuwigheid.”